voor nu

kan ik me niks mooier bedenken
dan hoe je je beweegt,
hoe je traag je kopje naar de lippen brengt,
zacht en rond, bedreven en bedachtzaam,
terwijl de krant getrouw voor je uitgespreid
op tafel ligt, je vingers tasten langs de letters.

Je leest en glijdt met je blik langs het vale papier
zo langs het venster, de ochtendzon in.
Lange schaduwen uit het bos
waarvan elke route, elke steen, het kolkend
water van de beek, bekend is.

Ik zie de zachte hartslag in haar hals
en verstop me in de ruimte van haar geurige koffie.

This entry was posted in tekst. Bookmark the permalink.